In toenemende mate krijgen we te maken met weersextremen als gevolg van klimaatsverandering. Water speelt daarbij een hoofdrol, wat voor de Lage Landen tot uiting komt in periodes van droogte enerzijds, en overstromingen anderzijds. Onze zomers worden warmer, voorzien van grilligere patronen van neerslag, meer verdamping, en een grotere kans op extreme regenbuien, die tevens langer boven een gebied zullen blijven hangen (Kahraman et al. 2021). Naar de gevolgen hoeven we niet te gissen. Zo resulteerde de droge zomer van 2022 in beduidend lagere oogsten  van onder andere maïs en gras, en staan de overstromingen van zomer 2021 als gevolg van extreme regenval nog vers in ons geheugen. De uitdaging die voor ons ligt – voor de komende jaren, decennia, zo niet eeuwen en millennia – is dan ook helder: Hoe gaan we op toekomstbestendige wijze met die veranderingen om? Of, zoals Berners-Lee het verwoordt in zijn boek ‘There is no Planet B’: 

“We will not be doing significant space travel for a very long time so we have to make the most of Planet A.”

Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor ons denken over water en land, en het watermanagement en landgebruik dat daaruit voortvloeit. Om mét de natuur te werken, in plaats van ons hierboven te stellen. Dit kunnen we niet doen zonder het verleden in ogenschouw te nemen, te begrijpen hoe we op de huidige situatie zijn uitgekomen, en te begrijpen welke rol we hierin als mensheid spelen. Zoals Jobbe reeds betoogde in zijn blog  beschikken we als archeologen over de vaardigheden en inzichten om de huidige problematiek in een langetermijnperspectief te kaderen. Een perspectief dat ook richting onze toekomst vertaald zal moeten worden om te voorkomen dat we in ‘quick fixes’ vervallen en de problemen voor ons uit blijven schuiven.

Een onderzoek dat licht op de ontwikkeling van mens-omgevingsinteracties van verleden naar heden en toekomst schijnt, is het Floodplainscapes. De focus van het onderzoek ligt op enkele valleigebieden in België. Riviervalleien vormen een belangrijke spil in de klimaatcrisis, omdat ze te classificeren zijn als het op één na waardevolste ecosysteem ter wereld (Constanza et al. 1997). Ze leveren namelijk verschillende eco-diensten: niet alleen als buffer van water en sediment, maar ook als het gaat om opslag van CO2, biodiversiteit, voedselproductie en recreatie. Het zijn dynamische omgevingen bij uitstek: een van de redenen waarom ze een grote aantrekkingskracht uitoefenen op de mens. Ze zijn – en worden – dan ook niet alleen gevormd door geomorfologische, ecologische en hydrologische processen; menselijk handelen speelt direct en indirect een rol. Bij directe menselijke impact moeten we denken aan ingrepen in een valleigebied, zoals het aanleggen van dijken en dammen, of het rechttrekken van een rivier door bochten af te snijden. Activiteiten waarbij men het gedrag van de rivier probeert te controleren, bijvoorbeeld om komgronden in gebruik te nemen voor landbouw of transport over een rivier efficiënter te maken. Indirecte menselijke impact vloeit voort uit landgebruik búiten de vallei, in hoofdzaak door activiteiten die resulteren in ontbossing. Dit kan zorgen voor een toename in erosie, waardoor er meer sediment in de vallei terecht komt, alsook voor veranderingen in hydrologie.

 

Riviervalleien in het Dijle-Demerbekken veranderden onder invloed van menselijke activiteiten van een moerasachtige omgeving met meerdere waterloopjes, veengroei en elzenbroekbosjes (links) naar een vallei gedomineerd door klastische afzettingen en een meanderend rivierkanaal (rechts; zie o.a. Broothaerts et al. 2014). Een situatie die vervolgens werd ‘geoptimaliseerd’ voor gebruik, door dijken aan te leggen en bochten af te snijden (foto’s auteur)

Riviervalleien kunnen we daarmee beschouwen als het resultaat van een complex samenspel van factoren, onderhevig aan variaties in tijd en ruimte. Door de geo-ecologische ontwikkeling te reconstrueren en te combineren met een landschapsarcheologische studie naar menselijke activiteiten ontstaat inzicht in de uitwerking van mens-omgevingsinteracties. Welke activiteiten resulteren in veranderingen in valleigebieden en wanneer? Hoe beïnvloedden die veranderingen op hun beurt weer menselijke activiteiten? En wat kunnen we hieruit leren voor de toekomst met betrekking tot drijvende factoren, duurzaamheid en ons vermogen tot aanpassen?

In toekomstige blogs zal ik aan de hand van archeologische voorbeelden uit Nederland en België op mogelijke antwoorden ingaan.

Bronnen

Berners-Lee, M. 2021. There is no planet B, Cambridge.

Broothaerts, N., Verstraeten, G., Kasse, C., Bohncke, S., Notebaert, B., Vandenberghe, J. 2014. From natural to human-dominated floodplain geoecology. A Holocene perspective for the Dijle catchment, Belgium, Anthropocene 8, 46-58, doi.org/10.1016/j.ancene.2014.12.001

Costanza, R., d’Arge, R., de Groot, R. et al. The value of the world’s ecosystem services and natural capital. Nature 387, 253-260 (1997), doi.org/10.1038/387253a0

Kahraman, A., Kendon, E.J., Chan, S.C., Folwer, H.J. 2021. Quasi-stationary Intense Rainstorms Spread Across Europe Under Climate Change, Geophysical Research Letters, doi.org/10.1029/2020GL092361


 

 

 

Facebook
Twitter
LinkedIn
Email
WhatsApp

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *